Beire Putte

 

 

In de nieuwe rubriek “Terlanenaar in de kijker” willen we graag een bekende of minder bekende Terlanenaar aan het woord laten. We starten onze reeks met de oudste man van Terlanen en een vriend of kennis van velen, Albert Vandeuren.



“Beire Putte” ontvangt ons in zijn huis in de Kardinaalstraat, aan het venster met mooi zicht op het onderste gedeelte van “De trapkens” en de kerktoren. Ondanks zijn 92 lentes (geboren in 1920) heeft hij zijn hele leven op hetzelfde adres gewoond : eerst als jongste van 9 kinderen in het ouderlijk huis, later als inwonende jonggehuwde en hij is er steeds blijven wonen.



Eigenlijk heet hij Jozef Albert, naar zijn peter ‘Jozef’, maar van kindsbeen af werd het “Albert” of “Beire” en sindsdien is “Beire Putte” de roepnaam geworden van hij die vandaag de oudste man is van Terlanen en er voor een stuk het gezicht van uitmaakt.



Zijn jeugd speelde zich af tussen de school op het Arthur Michielsplein waar Meester Claeys zich over een klas van dertig kinderen tussen de 6 en de 13 jaar ontfermde en de kerk waar hij eerst misdienaar was en later op het oksaal het orgel van lucht moest voorzien. Via het oksaal kon men de toren op en zo gebeurde het geregeld dat Beire en zijn boezemvriend Jules Lahaye (grootvader van Sportman Hans) in de galmgaten van de kerktoren jonge duifjes gingen roven om die te verkopen aan een duivenmarchand uit Huldenberg. Met de opbrengst kochten de belhamels dan snoep.

 

Op een dag ging het bijna mis: nadat de kerkhaan een opknapbeurt had gekregen moest hij terug op de torenspits geplaatst worden en een firma had daartoe reeds de nodige ladders aan de torenspits bevestigd. Beire en Jules vonden dit een onweerstaanbare gelegenheid om Terlanen eens vanuit de hoogte te bekijken en beklommen de ene na de andere ladder tot bovenaan het torenkruis. Een nonkel van Beire bestierf het bijna toen hij de twee jongens in het oog kreeg maar durfde niet te roepen om hen niet aan het schrikken te brengen. Het nieuws had Beire’s moeder echter al bereikt nog voor hij thuis was. “Ik heb in mijn leven nooit veel slaag gekregen, maar toen heb ik er toch van langs gekregen”, monkelt Beire meer dan 80 jaar later.



In 1940 moest Beire het leger in en als jongen van het platteland werd hij aangesteld om in Etterbeek de paarden van de ruiters te verzorgen. Toen het Belgisch leger capituleerde werd Beire gevangen genomen en naar Duitsland weggevoerd. Het leven als krijgsgevangene was hard en veel te eten was er niet maar hij had het geluk dat twee van zijn broers in hetzelfde kamp zaten. Drie maanden later werden ze vrij gelaten en mochten ze de boot op naar Antwerpen waar hij op de vroegmarkt een groentenboer uit Jezus-Eik ontmoette die hem meenam naar Overijse. Beire’s ogen staan vol pretlichtjes als hij vertelt dat zijn fiets die hij drieëneenhalve maand eerder aan Café De Welkom op de markt in Overijse achtergelaten had er niet meer bleek te staan zodat hij noodgedwongen op een damesfiets naar Terlanen is moeten rijden. Hij woog nog 47 kg maar de gedachte dat hij zijn Irma, waarmee hij in 1941 huwde, opnieuw zou zien zal hem wel vleugels gegeven hebben op zijn fietstocht doorheen het Terlanenveld.